Racisme
Toevallig overgeslagen: een verhaal over bruine huid en blinde ogen
Of hoe het gezond verstand nog steeds niet op de erfkaart staat
Allemaal hebben we rood bloed. We niezen, we hoesten, we knuffelen, we zijn. Soms met een accent, een andere huidskleur, een ander geloof, een andere oogvorm of haarstructuur.
Mijn man heeft een bruine huid. Hij is (h)eerlijk, vriendelijk, hardwerkend en altijd paraat om te helpen. Eén van die zielen die de wereld lichter maken. En de enige man die mij toonde hoe een echte man zorg draagt voor Liefde,
ook als de deur dicht is en de buitenwereld niet kan meekijken.
En toch.
Jawel.
Zelfs in 2026.
Hij stond netjes aan te schuiven in een rij waar folders werden uitgedeeld.
De persoon voor hem kreeg er één.
Toen kwam mijn man.
Hij stak zijn hand uit.
Niets.
De persoon achter hem kreeg er opnieuw één.
Vier seconden lunchpauze, wellicht. Toevallig precies op het moment dat die bruingetinte hand verscheen.
Hij belde me op.
Ik was verbouwereerd. Beduusd. Ik voelde mijn hartslag in mijn keel.
Inbeelding?
Natuurlijk.
Altijd.
Want racisme bestaat enkel in het hoofd van de gevoeligen. Net zoals seksisme, pesten of intimidatie pas bestaan wanneer iemand er lastig genoeg over doet.
Misschien was het toeval.
Misschien ook niet.
En precies dát is het smerige eraan. Dat iemand die wordt overgeslagen daarna ook nog mag twijfelen aan wat hij met zijn eigen ogen zag. Of zijn gevoel wel gepast was.
Ik ben niet beschaamd dat mijn huid toevallig dichter bij die van de folderverdeler ligt dan bij die van mijn man. Ik heb daar niets voor gedaan. Het is geen verdienste. Geen prestatie. Geen bewijs van karakter.
Ik kijk gewoon graag iets verder dan mijn neus lang is.
Mensen boeken een vakantie naar de zon en bakken zichzelf urenlang bruin. Bij thuiskomst wordt die kleur bewonderd.
Maar dezelfde tint op iemand die ermee geboren werd, kan plots genoeg zijn om een hand over te slaan.
Ik ben benieuwd naar de uitleg.
Ik wacht.
Ik ben ermee opgegroeid. Met uitspraken over wie beter was. Wie gevaarlijk was. Wie waar hoorde.
Ik heb ze alleen nooit eigen gemaakt. Omdat het, voor mij, niet klopte.
Ik stelde dingen in vraag. Eerst vooral in mijn hoofd, want kritisch zijn werd niet altijd geapprecieerd. Zeker niet als jong meisje of jonge onderdanige vrouw.
Een andere mening hebben? Zelf nadenken?
Dat jasje paste blijkbaar niet in mijn garderobe, volgens anderen.
Herinnering één
“Kom niet af met een zwarte. Die willen alleen maar je geld en seks.”
Die zin bleef hangen.
Niet omdat hij waar was.
Omdat hij uitgesproken werd alsof hij dat vanzelfsprekend wél was.
Alsof miljoenen mensen met verschillende levens, karakters, dromen, fouten en verhalen plots één soort mens werden omdat hun huid donkerder was.
Interessant toch, hoe gemakkelijk we een vreemde kunnen reduceren tot een gevaar wanneer we hem nog nooit ontmoet hebben.
Schoolmoment
“Negers stinken,” zei een vijftienjarige met een driedimensionaal tasje de beauté onder haar neus.
Een vriend van me keek haar gespeeld verward aan.
“Heb jij daar zelf dan geen last van? Je hebt daar toch ook een bruine bubbel onder je neus.”
Haar mond viel open.
Geen weerklank.
Stilte.
Ik genoot niet van haar ongemak, maar ik moest wel een lach onderdrukken.
Niet omdat racisme grappig is.
Omdat een vooroordeel soms zo absurd wordt wanneer iemand het gewoon even terug op tafel legt.
Dertigers-anekdote
Jaren later had ik afgesproken met iemand die wilde leren omgaan met kwaadheid. Iemand die wilde groeien, dingen anders wilde aanpakken en met wat meer rust naar zijn toekomst wilde kijken.
Ik was te vroeg.
Hij wat te laat.
Twee kennissen kwamen bij me zitten op het terras.
“Daar is hij,” zei ik even later, terwijl de man met wie ik had afgesproken naar ons toe kwam.
“O nee, een zwarte!? En jij hebt daarmee afgesproken? Hou je portefeuille maar goed vast.”
Ik vroeg geïrriteerd of zij gingen vertrekken of dat ik een ander tafeltje moest zoeken.
Ze vertrokken.
Zonder hun rekening te betalen.
Die kreeg ik even later gepresenteerd…
Ja hoor, ik
Ik had met die mens afgesproken.
Niet met “een zwarte”.
Niet met een huidskleur.
Met een mens.
Met zijn mooie kanten, zijn moeilijke kanten, zijn geschiedenis en zijn imperfecties. Zijn eigen
conditioneringen en perspectieven. Zoals ieder ander.
En misschien zit daar voor mij de kern.
Een huidskleur vertelt mij niet of iemand vriendelijk is.
Niet of iemand liegt.
Niet of iemand voor zijn kinderen zorgt.
Niet of iemand zijn rekening betaalt.
Niet of iemand veilig is.
Niet of iemand van je zal houden.
En al helemaal niet wat iemand waard is.
Dat ontdek je pas wanneer je de moeite doet om verder te kijken dan wat je ogen in de eerste seconde registreren.
Waarom zijn we zo bang voor wat we niet kennen?
Omdat een hokje sneller gemaakt is dan een mens leren kennen?
Omdat een vooroordeel minder moeite kost dan nieuwsgierigheid?
Het is 2026.
En nog steeds bestaan die zogenaamd onschuldige grapjes. Die opmerkingen. Die blikken.
Dat “ik bedoel het niet slecht hoor”, gevolgd door iets waarvan je je afvraagt hoe het ooit de reis van hersenen naar stembanden heeft overleefd.
Zit achter racisme soms angst?
Of opvoeding, groepsgedrag, onwetendheid?
En soms is het gewoon racisme.
We hoeven er niet altijd een mooier woord voor te zoeken.
Wat het in ieder geval achterlaat, is vermoeidheid.
De vermoeidheid van mensen die telkens opnieuw moeten bewijzen dat hun huidskleur niets zegt over hun karakter.
Die moeten twijfelen of iets “echt zo bedoeld was”.
Die een uitgestoken hand terugtrekken terwijl de persoon voor hen en de persoon achter hen
wél iets kreeg.
Een folder.
Zo klein kan het zijn.
En misschien is dat precies waarom we er niet over mogen zwijgen.
Niet omdat iedere gemiste folder automatisch racisme is.
Wel omdat we moeten durven kijken wanneer het patroon verdacht veel duidelijker wordt dan het excuus.
Mijn man kwam die dag niet thuis als een andere mens.
De folderverdeler waarschijnlijk ook niet.
Maar ik ben het niet vergeten.
En de volgende keer dat iemand een uitgestoken hand overslaat, hoop ik dat iemand kijkt.
Niet weg.
Gewoon kijkt.
Bij Het KernBos geloven we niet dat verbinding betekent dat alles zacht uitgesproken moet worden.
Sommige dingen mogen schuren.
Onrecht is er daar één van.
Want soms is woede niets anders dan liefde die weigert om te zwijgen dat terugkomt wanneer niets moet
