Wat dieren ons leren over regulatie
Ze had het niet zien aankomen.
Niet omdat het nieuw was. Maar omdat het zo gewoon was geworden.
Doorgaan.
Op een lenteochtend stapte ze uit bed en nog voor de dag echt begonnen was, hielden twee katten haar tegen aan de trap. Ze weken niet. Ze zaten daar alsof ze een grens bewaakten die zij zelf al langer niet meer zag.
Er lag werk. Een afspraak. Verwachtingen die niemand uitsprak maar die ze wel voelde.
Aan de wastafel verschenen witte stipjes in haar blikveld. Eerst subtiel. Toen nadrukkelijker. Haar adem werd dun. Haar vingers tintelden. Ze kende dit. Dit was het punt waarop je kunt doen alsof het niets is. Of kunt luisteren.
Ze ging zitten. Zonder drama. Zonder oordeel.
Op de koele badkamervloer strekte ze zich uit, benen omhoog tegen de badrand. Balthazar rolde zich op zijn rug, poten losjes in de lucht. Willow kwam tegen haar flank liggen. Hun adem was traag. Hun lichamen zwaar en ontspannen.
Drie lichamen. Eén ruimte. Verschillende ritmes.
Langzaam merkte ze dat haar adem die van hen begon te volgen.
Ze wist dat duizeligheid meerdere oorzaken kan hebben. Lage bloeddruk. Hormonale schommelingen. Vermoeidheid. Het menselijk lichaam is complex en zelden eenduidig. Wat hier gebeurde was geen bewijs van één verklaring.
Maar ze wist ook dit: haar lichaam stond al langer onder spanning dan ze zichzelf toegaf.
En spanning is niet alleen een gevoel. Het is ook fysiologie.
Misschien herken je het subtieler.
Een adem die hoger zit dan nodig. Schouders die zelden echt zakken. Het gevoel dat rust pas mag wanneer alles afgewerkt is.
Chronische activatie van het stresssysteem wordt in onderzoek in verband gebracht met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten, een verstoorde immuunfunctie en stemmingsklachten. Niet omdat stress op zichzelf verkeerd is, maar omdat een lichaam zonder herstelmomenten flexibiliteit verliest.
Regulatie is geen luxe. Het is het vermogen om te schakelen.
Zonder die flexibiliteit vernauwt denken. Verkrampt contact. Wordt zelfs creativiteit een prestatie.
Wat dieren doen, is niet moreel. Het is functioneel.
Ze trekken zich terug wanneer prikkels te intens worden. Ze zoeken nabijheid wanneer dat veilig voelt. Ze bewegen wanneer er energie is. Ze rusten wanneer die energie op is.
Wij hebben geleerd om daar doorheen te werken.
Op de badkamervloer werd geen spirituele les geleerd. Er werd iets eenvoudigers zichtbaar: haar lichaam had al signalen gegeven. Ze had ze gerationaliseerd.
Tot er niets meer te rationaliseren viel.
Misschien heb jij geen kat die je tegenhoudt.
Maar je lichaam registreert wel degelijk.
In duizeligheid. In uitputting. In onverklaarbare spanning.
Die signalen zijn geen zwakte. Ze zijn informatie.
En misschien begint veiligheid niet bij het oplossen van alles wat nog moet gebeuren. Misschien begint ze bij het erkennen dat een lichaam geen machine is die onbeperkt kan doorgaan zonder herstel.
Overleven is een biologisch minimum.
Leven vraagt regulatie.
En regulatie begint vaak stiller dan we willen toegeven.
Wat daar gebeurde, op die koele badkamervloer, was niet alleen een moment van vertraging. Het was een fysiologisch proces dat zich voltrok zonder toestemming van het denken: een zenuwstelsel dat afschaalde, adem die zich verdiepte, een lichaam dat zich liet meenemen in het rustigere ritme van twee andere wezens.
In deel 2: wat er precies gebeurt als lichamen elkaar reguleren.



