De melkfabriek en de stilte erna
Een mijmering tijdens de Internationale Week van de Borstvoeding (1–7 augustus)
Ik herinner het me nog goed. De voedingen. De geur van zijn hoofdje tegen mijn huid. Het zoeken naar een plek waar ik even tot rust kon komen, weg van het lawaai, de haast, de blikken.
Soms liep ik naar de keuken om op te starten.
Niet omdat ik me schaamde, maar omdat mijn grens daar lag.
Je tepel tonen aan je schoonvader voelde niet vanzelfsprekend.
En dus deed ik wat ik nodig had,
ondanks de verontwaardigde geluiden in de woonkamer.
Mijn lijf. Mijn tepel. Mijn melk. Mijn kind.
Ik deed het om het beste van mezelf aan hem te kunnen geven. Een ander deed er niet toe.
Borstvoeding bracht zoveel reacties teweeg.
Sommige volwassenen vonden het volkomen normaal.
Anderen fronsten hun wenkbrauwen als ik in een hoek van een tea-room mijn T-shirt losmaakte.
Ik keek weg van allesziende of keurende ogen en ging gewoon verder.
Tenzij ze liever het rauwe gekrijs hoorden van een baby die alleen maar wilde drinken, en het niet kon vragen.
Kinderen kwamen vaak dichterbij, nieuwsgierig. Ze liepen naar hun ouders en vroegen zachtjes wat ik deed.
Nare woorden? Die hoorde ik nooit. Maar ik voelde wel hun ogen. Soms verdrietig. Soms vol bewondering. Soms misnoegd, geërgerd.
En als jonge moeder knaagt dat aan je zelfvertrouwen. Aan je handelen. Aan de vraag of je het wel juist doet.
Nu weet ik dat het hun pakketje was. Hun ongemak, geplakt op mijn keuze. De blikken. De stilte. De tik en vuile blik die een man kreeg van zijn vrouw wanneer hij even mijn kant uitkeek. De onuitgesproken mening van een onbekende.
Die dingen blijven op je huid liggen. Langer dan melk.
En toch, wat ik vooral herinner, is hoe natuurlijk het voelde. Hoe bijzonder. Hoe stil. Hoe verbindend.
Soms lachen mijn zoon en ik nog over de melkfabriek.
Over hoe er, met de vakbond erbij, besloten werd
om alle werknemers tegelijk de laan uit te sturen.
“De fabriek is failliet,” schaterde hij onlangs, terwijl hij met een kussen op mijn buik sloeg tijdens ons worstelspel op zijn bed.
Zijn hoofd hing vlak boven het mijne. “Té veel productie, geen afzetmarkt.”
En samen proestten we het uit.
Ik was dankbaar. En trots. Omdat hij het begreep, met zijn prachtig neurodivers brein. Omdat hij ons verhaal tot grap kon maken. Omdat hij beelden vond voor wat niet meer gezegd hoefde te worden.
Het stoppen was pijnlijk met borstvoeding.
Niet alleen emotioneel.
Ook fysiek.
Mijn borsten bleven zich vullen,
alsof niemand hen verteld had dat het voorbij was.
Stuwing, druk, zwaarte
en nergens kon ik ermee naartoe.
‘s Nachts stond ik soms op om de meeste spanning in een koffiekop te laten lopen, om diezelfde melk vervolgens met een krop in mijn keel in de gootsteen te gieten.
Ik stopte niet omdat het niet meer werkte. Integendeel. Er was melk in overvloed.
Maar mijn werkgever gaf geen ruimte om te kolven.
Geen tijd.
Geen plaats.
Geen begrip.
Geen steun.
Zes maanden lang was mijn lichaam zijn brug
tussen binnen en buiten.
Tussen mama en wereld.
Tussen huidhonger, echte honger en genoeg.
En dat draag ik nog steeds met me mee. Als iets heiligs.
Mijn zoon is lactose-intolerant. Melk van een koe, geit of welk ander dier dan ook vindt hij afgrijselijk.
Maar als kleuter zei hij trots:
“Niemand maakt de beste melk zoals mijn mama.”
Dan glimlach je. Niet om wat was, maar om wat we samen wisten.
Mijn lichaam weet nog altijd hoe het voelde. Voeden. Geven. Dragen.
Want ook al is de fabriek gesloten,
de liefde produceert nog altijd.



