Teruggaan naar een plek die ooit te groot voelde
Soms denkt men dat heling betekent dat je afstand neemt, dat je nooit meer terugkeert naar wat pijn deed, dat je het hoofdstuk sluit en verder wandelt zonder om te kijken. Maar het lichaam kent een andere taal. Het onthoudt plaatsen, geuren, geluiden, lichtval op muren. Het weet waar het ooit klein werd.
Er zijn mensen die jaren later teruggaan naar zo’n plek. Niet uit nieuwsgierigheid. Niet uit nostalgie. Maar om te voelen of hun voeten vandaag steviger staan dan toen. Alsof het zenuwstelsel zacht wil testen: ben ik hier nog steeds dat kind, of ben ik inmiddels iemand geworden die kan blijven staan?
Een vrouw vertelde me eens hoe ze na twintig jaar terugliep naar de straat waar ze opgroeide. Ze herkende de koude geur van het portiek, de vochtvlek op de muur die altijd al daar zat. Haar hart ging sneller, haar adem werd smaller. Maar deze keer bleef ze staan. Deze keer voelde ze haar voeten op de grond. Deze keer was ze er, niet als dat meisje van toen, maar als de vrouw die ze nu is.
“Ik wist niet of ik het aankon,” zei ze. “Maar ik moest weten of die plek me nog klein kon maken.”
Dat is het vreemde aan plaatsen waar je ooit onveilig was. Ze blijven bestaan in je lijf, ook als je ze jarenlang vermijdt. De herinnering zit niet alleen in je hoofd. Ze zit in je spieren, in je ademhaling, in de manier waarop je schouders omhoog schieten als je een bepaalde geur ruikt of een deur hoort dichtvallen.
En dan komt er een moment, soms jaren later, dat je terugwilt. Niet om opnieuw pijn te voelen. Niet om te bewijzen dat je sterk bent. Maar om te merken of het lichaam eindelijk weet: dit is toen, niet nu. Ik ben hier niet meer vastgeklemd. Ik kan blijven én weggaan. Ik beslis.
Voor sommigen is het een straat. Voor anderen een gebouw, een kamer, een geluidslandschap. Het maakt niet uit wat het is. Het gaat om het moment dat je merkt: mijn lichaam heeft geleerd dat er ook iets anders mogelijk is dan bevriezen of vluchten.
Dat betekent niet dat de herinneringen verdwijnen. Het betekent dat ze minder greep krijgen. Dat de adem ruimer wordt. Dat spieren die ooit aanspanden stilaan leren loslaten. Dat machteloosheid plaatsmaakt voor aanwezigheid.
Soms begint dat met gewoon even blijven staan. Ademhalen. Kijken. En merken dat je er nog bent.
Dat is al veel.
Meer lezen?
https://kernbos.be/deel-2-trauma-en-het-zenuwstelsel-waarom-terugkeren-soms-helpt/
https://kernbos.be/trauma-integratie-na-activatie-deel-3/
https://kernbos.be/wanneer-teruggaan-niet-helend-is-trauma-timing-capaciteit/



