Een persoonlijk verhaal over grenzen, pijn en thuiskomen in je lichaam

Het lichaam als waarschuwingssysteem dat ik negeerde

Al in mijn tienerjaren begon het gefluister. Rug- en hoofdpijn die de mond gesnoerde werd met steunzolen en Dafalgan. Net genoeg om de dag door te komen. Net genoeg om door te gaan.

Maar lichamen fluisteren niet eeuwig.

Het ooglid dat trekt. De teenkramp waarbij je je tanden op elkaar klemt om je zoon niet wakker te schreeuwen. Het fijne werk dat niet meer lukt, pennen die uit je vingers glijden, handschrift dat onleesbaar wordt, thuiszitten over je eigen krabbels gebogen op zoek naar betekenis.

En toch. Verder gaan. Trouwe werknemer. Balancerend op een ravijnrichel, proberend te voldoen aan wat van me verwacht werd. Oplettende, liefhebbende alleenstaande moeder, in een partnerovereenkomst zonder liefde.

Mezelf wegduwen op de stapel, want zonder mij liepen ze vast. Maar ik verdronk. En niemand zag het.

De spiraal van reanimeren en hervallen

Ik gaf mezelf reanimatie. Telkens weer. Krabbelde overeind en bewandelde dezelfde spiraal opnieuw. Tot mijn lichaam amper nog reageerde op die reanimatie. Tot mijn innerlijk kind ziedend van onmacht op mijn hart stond te springen.

“Je moet het kalmer aan doen,” zeiden ze.

Mooi. Wie neemt mijn 764 taken over?

Niemand stak een vinger op, laat staan een hand. Integendeel, er werd nóg meer op mijn professionele werkpallet gesmeten. Zonder compensatie. Zonder hulp. Ook al vroeg ik het vlak af.

“Je kon het vroeger wel, dus nu ook.”

Vroeger was ik geen moeder. Geen onzichtbare mantelzorger. Vroeger werkte ik twaalf uur per dag en werd er acht van betaald. “Dat was normaal”, zei die werkgever.

Wanneer artsen hun hoofd schudden

De pijn nam de bovenhand. Rechtop staan werd een prestatie. Zitten een krachttoer, hopend dat mijn zitbeentjes niet door mijn huid heen spietsten en mijn bekken niet verpulverde. Ook Zona maakte een tekening omheen mijn ribben maar toch ging het werk voor. Anderen deden het ook.

Bloedproeven. Testen. Dokters die ongelovig hun hoofd schudden of zuchtten.

Ja. Wat doe je dan?

Mijn succesvolle carrière als vertegenwoordiger: stopgezet. Tijd om op adem te komen, dachten ze. Maar de radars in mijn hoofd draaiden overuren. Hoe vind ik weer werk? Hoe houd ik alles thuis draaiende?

Ik ging opnieuw studeren. Verpleegkunde. Een knelpuntberoep. Ik wilde álles doen, behalve psychiatrie.

Tot ik verliefd werd op de manier waarop verpleegkundigen in een ziekenhuis over patiënten spraken. Met begrip. Empathie. Erkenning. Alles in mijn hoofd draaide om. Ik spitste me toe op de geestelijke gezondheidszorg.

De klap: beddevulling boven genezing

Toen ik eenmaal écht aan het werk was, succesvol afgestudeerd, kreeg ik lovende evaluaties. ‘toegankelijk voor patiënten’, ‘transparant en flexibel naar collega’s’, ‘correcte rapportages’, ‘gestructureerde overdrachten’, ‘open voor nieuwe ideeën’…

Tot de volgende evaluatie met de hoofdverpleegkundige. “Wil je voltijds werken?” “Nee, ik blijf vier vijfden doen waarvoor ik heb ingetekend.”

Ik had niet gezegd dat ik ziek was. Die vrije woensdag was mijn noodzakelijke zuurstoftank om op te laden. “Wil je nachten werken?” “Nee. Zoals je wist bij het aanwerven heb ik een kind met neurodiversiteit. Daar zet je niet zomaar een babysit bij, en ik ga niet werken om een babysit te betalen.”

De reumatoloog en neuroloog hadden me gewaarschuwd: geen nachten! Dat zou nefaste gevolgen hebben voor mijn gezondheid.

En toen… kwam de klapper. “Wie heeft jou toestemming gegeven zo diep te gaan met die vrouw?” Hij keek me recht in mijn ogen aan. Star. Zijn ergernis was voelbaar omdat ik niet op zijn ‘verzoeken’ inging.

Hij verwees naar een patiënte met verslavingsproblematiek.
“Als je niet naar de kern gaat waar alles begon,kunnen ze zichzelf toch niet begrijpen? Dan staan ze hier binnen drie maanden toch terug?” repliceerde ik.
“Dan zijn we zeker van beddevulling.”

Mijn mond viel open. Ze nét niet genoeg helpen zodat ze hervallen. Zodat de facturen blijven stromen.

De prijs van principes

“Er zal een vacature vrijkomen voor jouw functie. Voltijds. Met nachten. Ik maak je evaluatie nog op.”

Hij ontsloeg me, zonder het te zeggen. Omdat ik niet inging op zijn eisen om me leeg te persen.

De dag erna gooide hij mijn evaluatie vlak voor een vergadering op tafel. “Teken.” Ik scande woorden die niet klopten. Zinnen uit een leugenweb. Ik zei het later rustig te lezen.

Ik werkte nog twee dagen. Ik gaf hem nog de kans om in gesprek te gaan. Dit verwachtte ik eigenlijk wel. Ondanks de drie keer dat we elkaar tegen het lijf liepen, kwam er geen gesprek. Geen uitleg.

Elke avond huilde ik. Uit onmacht. Uit kwaadheid. Uit onbegrip. Die zaterdag bracht een vriend me naar de huisarts. “Jij zit vanaf vandaag thuis.” “Maar ik moet nog drie weken uitdoen.” “Nee. Jij gaat niet meer terug.”

De telefoon, vier maanden later

Vier maanden later ging mijn telefoon. De hoofdverpleger. “Heb je je evaluatie al ondertekend?” Geen “hoe gaat het met je?” Zelfs niet uit ‘beleefdheid’.

Mijn hart bonkte. “Nee.”
“Ga je het nog ondertekenen?”
“Nee.”
“Waarom niet?”
“Omdat alles wat erin staat niet klopt.”

Stilte. Geen verdediging. Geen discussie. Want het was waar wat ik zei en dat wist hij ook.

Alleen een ongemakkelijke stilte waarin ik van woonkamer naar slaapkamer ijsbeerde, mijn hart bonzend in mijn keel. “Hoe gaat het met je?” BAM! “Ja, aangezien ik nog altijd thuis ben: niet goed hè.” Sneerde ik. Mijn innerlijk kind keek geschokt op, zette haar handen in haar zij en keek kwaad knikkend naar de telefoon. Ik schrok van mezelf. Maar het was wat het was.

“Hou je ons op de hoogte?” “Jaja,” zei ik, terwijl mijn hoofd gesmoord ‘nee’ brulde.

Geen beterschapsgroeten. Geen excuses. Niets.

Maar iets in mij was verschoven tijdens dat gesprek. Mijn innerlijk kind had niet alleen geschokt gekeken, ze had geknikt. Goedgekeurd. Voor het eerst in jaren voelde mijn woede niet als falen, maar als bescherming. Als een grens die ik eindelijk durfde te bewaken.

Ik was een pion geweest. Onstuurbaar voor eisen. Geankerd in eigen waarden. Mezelf en mijn gezin beschermend.

Opnieuw studeren, opnieuw afgebroken

Ondertussen had ik een diagnose gekregen, weliswaar de verkeerde, maar raapte ik alle moed en energie samen om opnieuw te studeren. Maatschappelijk werk.

Opnieuw ging mijn lichaam in tegenaanval. Ik volgde grotendeels lessen in een rolstoel. Lag tijdens de middagpauze in een kamertje met een handdoek over mijn hoofd, hopend dat de migraine zou afnemen.

Op een dag zat ik in de aula, ingesloten tussen tientallen studenten. Hartkloppingen. Mijn schouders tierden. Ik bleef zitten. Ademde. 1, 2, 3. Opnieuw. 1, 2, 3.

De studente naast me had het plots door.

Ik reed zelf naar de spoedeisende hulp en werd aan een hartmonitor gelegd. 160 slagen per minuut terwijl ik gewoon neerlag. Alles daverde in me.

“We vermoeden dat je een paniekaanval had.” “Ja. En wat moet ik nu?” “Tja. Niets. Probeer voldoende te slapen, vermijd stress, eet gezond.”

Euhhhh…

Een week later begon de migrainemarathon. Alsof ze met beitels en bankschroeven mijn schedel bewerkten. Mijn oog probeerden samen te persen alsof het een rijpe puist was.

Opnieuw van de ene neuroloog naar de andere. Slaapobservatie waar niets uit kwam, ook al had ik die nacht amper twee uur geslapen, de slaapcyclus leek “normaal.”

Nog geen 40 jaar. Bètablokkers. Twaalf pillen die de samba door mijn slokdarm moesten doen.

Uiteindelijk: een MRI. Chronische migraine, al zichtbaar in zwarte puntjes in mijn hersenen.

Aan de ene kant: opgelucht. Ik beeldde het me niet in. Aan de andere kant: benauwd. Het was al zichtbaar.

Het had zich genesteld in mijn brein dat ik jarenlang had overbelast. Misschien, dacht ik toen al half, probeerde mijn lichaam me al jaren iets te vertellen. Misschien was ik te druk bezig geweest met luisteren naar iedereen behalve naar mezelf.

“Je moet onmiddellijk je studies stopzetten.” Ik had nog anderhalf jaar te gaan. Dat was het einde van mijn carrière.

Wat erna kwam: de omwenteling

Maar wat erna volgde, draaide mijn hele leven om. Ik vond de kracht om beslissingen te nemen voor mijn eigen welzijn. Mijn veiligheid. Ik diepte mijn therapie uit. Zocht mijn vangnet. Ging op zoek naar alternatieve oplossingen.

Na vijf jaar thuiszitten ontdekte ik, tijdens een vlucht weg van alles en iedereen, wat het bos met me deed. Ik testte het verschillende keren. Elke keer hetzelfde. Ik kon toch niet de enige zijn? Ik wilde een plek waar het lichaam niet genegeerd wordt, waar luisteren en voelen heling is. Waar geen deurbel is, geen brievenbus, geen e-mails die je geconditioneerd verplicht bent te beantwoorden. Ik moest even helemaal niets. Enkel ademen en zijn. Bij mijn kern, in het bos.

Toen… werd het eerste zaadje van Het KernBos in mijn hoofd geplant.

Van monster naar manager

In het begin zag ik mijn chronische pijn als een monster. Een dat zat te wachten als er iets leuks gebeurde, om me dan te bespringen en vier dagen lam te leggen.

Nu voel ik de pijn als een manager. Een die aangeeft wanneer mijn energiepeil te snel daalt, of plots in reserve gaat.

Mijn lichaam gilt niet meer, omdat ik niet meer wacht tot het moet gillen. Het fluistert.

En voor het eerst in mijn leven luister ik, niet uit angst, maar uit respect.

Voor het lichaam dat me door alles heen heeft gedragen, ook toen ik het verraadde met loyaliteit aan systemen die me leegpompten. Dat is geen einde. Dat is thuiskomen.