Over spirituele eenzaamheid, moederschap en de kunst om jezelf te dragen
Soms is alleen zijn geen leegte, maar een thuiskomen. Geen gesprekken om op in te haken. Geen rollen om te spelen. Geen plannen om te maken of meningen om glad te strijken. Alleen jij, je adem, en de zon die zakt.
Toen ik grenzen begon te stellen, werd het stil. Het soort stilte dat eerst snijdt. Ik heb gehuild. Ik ben boos geweest. Ik voelde me dom, onwaardig, eenzaam.
Ik dacht: “Is dit het dan? Is dit wat ik verdien als ik trouw ben aan mezelf?”
Mijn telefoon bleef stil. Niemand stuurde: “Hé, lang geleden. Hoe gaat het met je?” Alsof ik uit hun geheugen was gewist toen ik mezelf terugclaimde.
Pas later zag ik het:
Die stilte was geen straf. Het was een selectie.
Niet iedereen is er klaar voor.
De spirituele functie van eenzaamheid
In spirituele literatuur wordt eenzaamheid vaak niet gezien als een probleem,
maar als een poort.
Mystici, yogi’s, monniken, sjamanen, ze trokken zich allemaal terug.
Niet om de wereld af te wijzen,
maar om het lawaai te laten verstommen.
Zodat de waarheid hoorbaar werd.
Volgens psychiater en trauma-expert Bessel van der Kolk is stilte essentieel voor herstel:
“Om echt te voelen wat in ons lichaam leeft, moeten we het lawaai van buitenaf durven dempen.”
(The Body Keeps the Score, 2014)
Ook neurowetenschapper John Cacioppo, pionier in onderzoek naar eenzaamheid, stelde vast dat kortdurende eenzaamheid kan leiden tot zelfreflectie, spirituele integratie en bewustwording, zolang het niet omslaat in chronische isolatie (Cacioppo & Patrick, 2008).
Spirituele stromingen zoals het boeddhisme en Advaita Vedanta erkennen
alleen-zijn als noodzakelijke bedding voor ontwaken.
In The Untethered Soul beschrijft Michael A. Singer hoe alleen zijn
de ruimte biedt om los te komen van conditioneringen
en opnieuw te leren luisteren naar het fluisteren van de ziel.
Alleen zijn wanneer je lijf geen rust geeft
Ik had meerdere tumoren in mijn borsten. Al jaren.
De artsen wilden niet ingrijpen zolang alles ‘rustig bleef’.
Na vijf tumoren stopten ze met het aantal te benoemen.
Alsof het niet tellen minder echt maakte.
En dan die avond.
Vrijdag. 21.00 uur. Mijn telefoon ging.
Het was mijn gynaecoloog.
Zijn stem vlak. Zijn woorden scherp:
“Het is niet goed. Je moet volgende week terug naar het ziekenhuis komen.”
Ik was alleen.
Waarom belde die man in vredesnaam op een vrijdagavond om 21.00 uur?
Omdat het labobericht moest doorgegeven worden,
om niet te vergeten,
om niet te verdwijnen tussen de andere stapels.
Omdat anderen normaal een vangnet hebben.
Omdat de meeste mensen op zo’n moment worden vastgehouden.
Gesust. Bemoedigd. Gehoord. Ondersteund
Ik niet.
Niemand had me in die tussentijd zien verdwijnen.
Enkel de mensen met foute intenties hadden nog aan mijn armen getrokken, trokken nog aan touwen om te kijken of ik als harlekijn nog functioneerde of dat ik daar ook de touwen had doorgeknipt. Nog steeds op zoek naar een reactie. Een uitbarsting om te kunnen zeggen “Zie je wel, helemaal geschift is ze.”
Maar ik gaf het vuur geen zuurstof meer.
Ik had losgelaten wat me leegdrenkte.
In dat weekend heb ik geweend, mijn stem gesmoord.
Ik was kwaad. Radeloos.
Wat met mijn kind? Hoe draag ik dit zonder hem te belasten? Zonder dat hij de angst voelt om zijn mama te verliezen? Zonder dat hij de volwassen rol overneemt om mij te sparen?
Ik zocht pruikenwinkels op.
Dacht na over wie mijn back-up kon zijn.
Tot ik besefte:
ik wás mijn eigen back-up. Ik moest door.
Afhankelijkheid was toen het laatste wat ik nodig had. Al kwam dat inzicht pas later.
De zachtheid bleef
Ik keek naar de foto’s van mijn zoon.
Op de vensterbanken. Op de kast.
Mijn jongen, mijn grootste kunstwerk.
Geschapen in het deel dat nu ziek was.
Gevoed door borsten die op volle toeren draaiden om zijn honger te stillen.
Mijn jongen. Altijd in beweging. Altijd in evolutie.
Hij was er niet, maar altijd bij me.
In gedachten, op foto’s, in de geur van zijn kamer
en het gegiechel in mijn oren als we het kietelmonster speelden.
Mijn kat kwam bij mij toen ik aan tafel zat.
Mijn ogen rustten op haar poten.
Ze gaf me een kopje. Spinde naast mijn oor.
Alsof ze zei: je bent niet alleen, ik ben hier.
Alles in mij was bang. En toch: niets in mij was gebroken.
Alleen zijn is geen fout
Er is een verschil tussen eenzaamheid en alleen zijn.
Eenzaamheid is de pijn van afgesneden zijn.
Alleen zijn is de kracht van verbonden zijn met jezelf.
Wie innerlijk werk doet, verliest soms het buitenste kringetje. Maar wat je terugvindt is van een andere orde:
– Innerlijk gezag, zonder de stem van goedkeuring buiten jezelf
– Verbinding, die niet gebaseerd is op ruil of rol
– Vrede, die niet afhankelijk is van gelijk krijgen
– En soms ook: een nieuwe gemeenschap. Stil. Echt. Klein.
Ik weet nu: die maanden van stilte waren geen straf, maar voorbereiding. Op een leven dat klopt. Op ontmoetingen die niet trekken aan mijn energie, maar erin rusten.
Als jij je nu alleen voelt
Weet dit:
Het ligt niet aan jou. Je bent niet te gevoelig, te zacht, te moeilijk, te bewust. Je bent bezig met ontkoppelen van wat niet meer dient. En dat doet pijn, ja. Maar het hoort erbij.
Soms moet je verdwijnen, om jezelf terug te vinden.
Soms is alleen zijn geen leegte maar een hergeboorte.
📚 Bronnen & leestips
– Cacioppo, J. T., & Patrick, W. (2008). Loneliness: Human Nature and the Need for Social Connection
– Van der Kolk, B. (2014). The Body Keeps the Score: Brain, Mind, and Body in the Healing of Trauma
– Singer, M. A. (2007). The Untethered Soul: The Journey Beyond Yourself
– Toko-pa Turner (2017). Belonging: Remembering Ourselves Home
– Thich Nhat Hanh – teachings over ‘solitude as a spiritual nourishment’



